negatief van koninginnebij     deel 1
U bevindt zich
in Deel 1
deel 2
Ga hier naar
Deel 2
deel 3
Ga hier naar
Deel 3
   
      
Ter informatie
Deze bijbelstudie in 3 delen is een weergave van een serie studies, op uitnodiging van onze gemeente, gegeven door Piet van der Lugt. Hij is bijbelleraar en in zijn vrije tijd imkert hij sinds een aantal jaren. Gegrepen door het wonder van het bijenvolk, kwam hij tot deze studie. Deze is nog steeds in ontwikkeling en wordt almaar uitgebreider omdat er steeds weer iets nieuws te ontdekken valt.

Inleiding

In een bijenvolk is een wonderlijke drie-eenheid: koningin, werksters en darren. Zij kunnen niet zonder elkaar. Er zijn op aarde duizenden soorten bijen: solitaire soorten en sociale (hiervan zijn er minder soorten). De honingbij behoort tot de sociale soorten. En hier gaan we het over hebben. We gaan kijken wat de verbanden zijn met de Bijbel. De drie Personen in de bijen en de anatomie.

De moer

De moer is niets meer en niets minder dan een soort eitjes leggende machine. In mei-juni legt de moer ongeveer duizend tot tweeduizend eitjes per dag. De moer kan gezien worden als een beeld van Christus door de manier waarop de moer in het bijenvolk staat, de plaats die zij inneemt. Ze wordt door twaalf bijen omringd die voor haar zorgen. Hierbij kan worden gedacht aan de twaalf apostelen. Waarom? Omdat het een beeld is van Christus. De twaalf bijen onderhouden de moer, zij zorgen voor haar en geven haar eten. Net als de apostelen voor Christus zorgden. Vergelijk Luk.6:13.
Eigenlijk is de moer het begin van alles. Zij kan niet bestaan zonder werksters, want zij moet gevoerd en verzorgd worden. Maar als zij na de winter begint met eitjes leggen, komt een nieuw volk tot stand. Zonder eitjes kunnen ook geen nieuwe moeren gemaakt worden. De moer was er wat dat betreft het eerste, maar ze is nooit zonder de andere bijen geweest, want zonder hen kan zij niet leven. Toch is ze in zekere zin het begin van het volk. Vergelijk
Col. 1:15-17 / Op. 3:14. De moer is ook de gever van het leven. Uit bevruchtte eitjes worden werksters en koninginnen geboren, uit onbevruchte worden darren geboren. Vergelijk Joh. 1:1-4a / Joh 10:10b. Door de moer kunnen wij profiteren van alles wat de bijen maken. Net als Christus de Gever is van het leven en van de overvloed. De moer is koningin. Dit is niet een goede naam. Want een koningin regeert terwijl de moer een dienstmaagd genoemd zou kunnen worden. De moer scheidt een specifieke geur af, voor elk volk uniek, die op alle andere bijen overgaat, waardoor alle bijen weten dat zij er is. Als de moer er niet zou zijn, hebben de bijen dit binnen een kwartier in de gaten. Zij gaan dan op zoek naar haar, en raken in een soort huilstemming. Doordat de moer er is, functioneert het volk. In die zin is zij niet als een koningin. En volk zonder moer gaat te gronde. Dit is niet te voorkomen. Zo is de Here Jezus de kern van de Gemeente. Als wij weten: de Here is ons midden gaat alles goed. Wij moeten ook zijn 'geur' aan elkaar doorgeven. De geur van de liefde bijvoorbeeld. In die zin is de moer een beeld van Christus als Hoofd van Gemeente. Vergelijk Efe. 1:22,23. Een imker zei eens: eigenlijk is een bijenvolk een lichaam. Want het is een onlosmakelijk geheel.

De dar.

De dar is een dikke bij. Na de koningin is hij de grootste. Hij is korter en kleiner.dar
De dar is een dikke bij. Na de koningin is hij de grootste. Hij is korter en kleiner. Maar hij kan heel goed vliegen en hij is sterk. Hij moet goed kunnen zien en opletten, want hij mag met de koningin paren. Hij komt uit een onbevrucht eitje. Uit dit onbevruchte komt dus leven en dit leven is weer in staat om te bevruchten. Dit is een gigantisch wonder! Dit wordt in de vaktaal: partenogenese genoemd. Dit betekent 'maagdelijke geboorte'. Hij heeft geen vader. Hierin is hij een beeld van Christus: Hij had als mens ook geen vader. Wel een moeder. Vergelijk
Luk. 1:31,34. Darren zijn niet altijd in het volk. Op een bepaald moment beslist het bijenvolk: nu moet er darren komen. Een imker noemde dit verschijnsel dat het volk beslist, eens: de geest van de kast. Want het hele volk, de werksters, neemt deze beslissing. Dan wordt de moer verplicht om onbevruchte eitjes te leggen. Dit gebeurt doordat de werkster grotere cellen maken. Hierin kan de koningin haar achterwerk naar binnen brengen en een eitje leggen zonder dat het bevrucht wordt. Dit gebeurt in de periode half mei tot eind augustus. In die periode zijn er dus darren in het volk. Vergelijk Heb 10:9,10. Hij kwam en Hij ging.
Als een dar bevrucht, verhoudingsgewijs zijn dit van de ongeveer vijfhonderd darren maar weinig, dan sterft hij. Vergelijk
Jes. 53:10 en Joh. 12:24. Zijn geslachtsdeel scheurt als het ware af en dit blijft achter in de koningin. Hij ziet dus nooit zijn nakomelingen. Aan het eind van het seizoen komt er zo eind augustus een dag waarop de werkster de darren er niet meer in laten. Komen ze er toch in, dan worden ze er door de werkster weer uit gewerkt. Er wordt echt gevochten. De darren komen dan om door honger of door de kou. Buiten de kast. Ze kunnen zelf niet eten en moeten worden gevoerd door de werksters. Ook hierin is de dar een beeld van de Here Jezus. Hij is ook buiten de stad Jeruzalem gebracht en gedood. De werkster laten dit doden meestal aan een ander (= de honger of kou) over. Dit deed het joodse volk ook. Buiten het volk, buiten de legerplaats. Vergelijk Hebr. 13:12.

Een moer is een volmaakt vrouwtje. Een dar is een volmaakt mannetje. Daarin zijn ze beelden van Christus, de Volmaakte. Een werkster kan zich niet voortplanten. Zij is onvolmaakt.

De werkster.

Van werksters zijn er in de zomer ongeveer dertig- a veertigduizend in ťťn volk. Er is nauwelijks plek genoeg in de kast. De werkster is een onvolledig ontwikkeld vrouwtje. Soms kan ze onbevruchte eitjes leggen. Maar hieruit komen darren voort, geen koninginnen. De koningin kan niet zonder werksters, evenals de dar. Maar de werksters kunnen niet zonder koningin en zonder de dar. Zonder hen sterft het volk uit. Vergelijk Hos. 14:9.

Bij in woord en daad.

In het Hebreeuws is het woord bij Deborah. Hierin zitten drie medeklinkers: DBR. Deze komen we ook tegen in het Hebreeuws voor woord of daad: Dabar. Je zou dus kunnen zeggen dat een bij verbonden is met het woord, de daad. De Here had een bedoeling toen hij de bij, door Adam, in het Hebreeuws DBRH noemde. God is een God van het Woord en van de Daad. God zegt en doet dingen. Zo hoort het in ons leven ook te zijn. Vergelijk Deut. 30:14: Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen. Als wij christen heten, is dat omdat in ons leven te zien is dat wij van Christus zijn. Een christen laat dit in zijn leven zien: arbeiden opdat Christus in ons gestalte zal krijgen. Zo zijn de bijen constant bezig met het woord. Althans, dit mogen we er in lezen.

Het lichaam van de bij.
Het lichaam van een bij bestaat uit drie delen: een kop, een borststuk en een achterlijf. Aan elke kant van de kop bevindt zich een samengesteld oog. Het oog bestaat uit facetten. Minuscule zeshoekige buisjes. Bij een werkster zijn dit er zes- tot zevenduizend per oog en bij een dar dertienduizend. De ogen van een dar zijn ongeveer twee maal zo groot als die van een werkster. Het oog van een bij ziet op elk moment een totaal beeld: voor, achter en opzij. Ook hierin is de dar een beeld van Christus: Hij ziet veel meer dan wij. Hij sprak van toekomstige dingen die de mensen niet konden zien. De God-mens, de Volmaakte kon veel meer dingen onderscheiden dan wij. De werkster, hoewel zij bijna de helft minder ziet, is een beeld van de gelovige. Als wij wedergeboren zijn, kunnen wij in een oogopslag alles zien. Wij zien Jezus (met het oog van het geloof), zoals in Hebr. wordt verteld.
Een bij ziet anders dan een mens. Het kleurenspectrum is anders dan dat wat de mens ziet. De mens ziet een spectrum van blauw tot rood, een bij ziet van ultraviolet tot oranje. Rood ziet een bij niet. Bijen zien ultraviolet licht van de bloemen. De bloem geeft met deze kleur aan waar zich de nectar bevindt: in het hart. De lievelings kleur van de bij is blauw, heeft men kunnen onderzoeken. Blauw is de kleur van de hemel. Vanuit het blauw verwachten wij onze Zaligmaker. Een bij kan ook gepolariseerd licht zien. Als een bij naar de hemel kijkt ziet hij allerlei vlakken. Zo onderscheidt de bij het oosten, westen, noorden en zuiden. De zon is daarbij het baken. De zon is een beeld van de Here God. Zelfs als het bewolkt is, kan een bij de zon en vakken zien, door de wolken heen. Bijen gebruiken ter oriŽntatie ook allerlei bakens. Als ze voor het eerst naar buiten gaan, draaien ze rondjes om de omgeving van hun kast te leren kennen. Zo herkennen ze later zelfs uit twintig kasten hun eigen kast. Dit rondje wordt met de dag groter. Na ongeveer drie weken gaat de bij echt op pad om stuifmeel en nectar te verzamelen.bijen op een raat
Hij gaat hierbij wel drie kilometer weg en kan de kast gewoon terug vinden. Een kast verplaatsten is voor de bij dus gevaarlijk. Ze zullen de kast verlaten en vervolgens terug vliegen naar de oude plek waar de kast niet meer staat. Een verplaatsing van slechts een meter is voor de bijen al een hele verandering. Ze zullen terug vliegen naar de oude plek, een meter verderop dan waar de kast zich nu bevindt. Zo goed onthouden ze wat de plaats van hun kast was. Bedenk hierbij dat de mens altijd op God gericht moet zijn. Net als de Bij altijd naar boven klimt en zich op de zon oriŽnteerd. Ze zijn altijd naar boven gericht. Vergelijk
Psalm 16. Op de kop van een bij zitten in de vorm van een driehoek drie hele kleine puntje. Weer een drie eenheid. Met deze puntjes die feitelijk enkelvoudige ogen zijn, oriŽnteert een bij zich ook. Vergelijk Joh 1:5. Wij kunnen Licht en duisternis onderscheiden. De bij heeft daarnaast nog twee voelsprieten, twee antennes. Deze zijn opgebouwd uit zeer beweegbare ringen. Een voelspriet bestaat uit twaalf beweegbare ringen. Een werkster heeft in de voelspriet vijfduizend reukholten, een dar achtduizend. Waarom? Omdat een dar de koningin moet kunnen ruiken. In de bijenkast is het aarde donker. Er is alleen een opening om in en uit te kunnen vliegen. Een centimeter hoog. De rest is donker. De bijen doen dus alles op de tast. Ze doen als het ware alles in geloof, niet op het zicht. Door de tastzintuigen, kunnen ze zich in het donker een beeld vormen hoe het er in de kast aan toegaat. Ze kunnen proeven, ruiken, temperatuur en luchtvochtigheid bepalen. Ze kunnen koolzuur onderscheiden. Als een bij uit de cel komt, gaat deze meteen aan het werk. Hij weet meteen wat hij moet doen. Bijen ruiken, geuren, allemaal hetzelfde. Buiten blijft een bij zoveel mogelijk op dezelfde bloem vliegen, met dezelfde geur. Dit anders dan hommels die van bloem naar bloem 'hommelt'. Een bij zorgt altijd dat hij zo veel mogelijk kan halen uit een bloem. Dit is belangrijk voor de bestuiving. Einstein heeft eens gezegd dat als er geen bijen meer zouden zijn op aarde, de mens niet lang zou overleven. Zo belangrijk zijn de bijen. Wij wandelen in het geloof en niet in aanschouwen net als de bij. Vergelijk 2 Kor. 5: Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. In de kop van de bij zitten ook nog speekselklieren voor het voeden van de larven en de koningin. Aan het borststuk zitten twee voorpoten. Deze voorpoten hebben een heel klein openingetje. Hiermee heeft de Here erin voorzien dat de bij zijn voelsprieten in een keer kan schoonmaken. De achterpoten zijn een stuk groten. Er zitten haartjes aan die een soort korfje vormen waar het stuifmeel gemakkelijk in opgeslagen kan worden. Dit worden stuifmeelkorrels. Dit is voer voor de voedsterbijen en voor de jonge bijen. De poten hebben klauwtjes voor ruwe oppervlakken en zuignapjes voor gladde oppervlakken. In het hoogseizoen komt er per seconde een bij terug in de kast met stuifmeel. Dus 3600 in een uur! Aan het borststuk zitten twee paar ragdunne vleugels. Ze worden gevoed door een netwerk van aders. De voor en -achtervleugels zijn tijdens het vliegen door haakjes met elkaar verbonden en vormen ťťn draagvlak. Een werkster is in staat een dode bij uit te dragen. Bijen zijn een schoon volk. Een stervende of gestorven bij wordt uitgedragen uit de kast. Zelfs darren kunnen door de werkster gedragen worden. Een bij kan ongeveer dertig km/uur bereiken tijdens het vliegen. Het achterlijf is opgebouwd uit een aantal brede ringen of segmenten die als een telescoop in elkaar passen. Wanneer de bij de honingmaag vult, wordt het achterlijf langer. Een zwerm bijen heeft voordat ze zwermt voor drie dagen aan honing gegeten. Zij zullen niet steken, omdat ze het moeilijk kunnen met het volle achterlijf. Wordt het voedsel afgegeven dan schuiven de segmenten van het achterlijf in elkaar. In het achterlijf liggen de organen voor de spijsvertering, zoals honingmaag en darmen. Daarachter liggen weer organen voor de voorplanting. Bijen hebben geen longen. Door het lichaam loopt een fijn netwerk van vertakte buisjes, de tracheeŽn. Door de tracheeŽn komt met de lucht ook de zuurstof in het bijenlichaam. De openingen van deze buisjes worden stigmata genoemd. Met de zintuigen, dus de antennes en ogen, wordt informatie opgevangen die wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel. Als een bij een aanvaller steekt, dan wordt dit door de andere bijen geroken. Dit is een alarm signaal. Hierdoor kunnen de andere bijen gaan steken. Een bij is zelfs in staat om te proeven dat de honing 80% aan suiker bevat.Voor minder doen ze het namelijk niet. Ook voor temperatuur zijn ze erg gevoelig. Als de temperatuur in de kast 35,5 graden wordt zorgen ze voor verkoeling door met vleugels bij de ingang te waaieren. Bij een temperatuur van 34,5 graden verwarmen ze door met de borstspieren te trillen. Zo nauwkeurig kan een bij temperatuur bepalen. Ook zwaartekracht en magnetisme kunnen bijen waarnemen. Net als de postduif en de dolfijn. Hierdoor kunnen bijen en duiven door middel van magnetisme hun thuis terugvinden? We eindigen met Psalm 139:14 en Op. 4:11.

terug naar homepage
homepage