n.a.v. Corinthe, hoofdstuk 13

De eerste brief van Paulus aan de gemeente in Corinthe, hoofdstuk 13, is de hymne die van het voltooide mensbeeld spreekt. Niet nu, later. Straks zal alle bedekking, alle beperktheid wegvallen. Dan zullen wij voltooid zijn. Dat gelooft Paulus en daarop hoopt hij. Hij kent de weg. “Nu zien wij, schrijft hij, nog door een spiegel, in raadselen”. Duister beeld gebruikt Paulus. Door welke spiegel? In wat voor raadselen?
Zeker: een mens is kenbaar door wat zich aan de oppervlakte van zijn bestaan vertoont, maar hem kennen, niet enkel als hij verschijnt, maar zoals hij is, blijkt niet mogelijk. Het werkelijk bereiken van de medemens breekt af op de buitenkant waarin deze te voorschijn komt. Mens en medemens hebben een aanrakingsvlak, waardoor zij de mogelijkheid hebben elkaar te kennen; beter, naarmate zij zich meer in elkaar verdiepen. Het aanrakingsvlak is echter tegelijk: scheidingsvlak. De gestalte waarin de ene mens op de ander toekomt, is slechts een spiegeling. Daarin kan de een iets van de ander verstaan, als afspiegeling van diens wezen. Maar er is steeds de scheiding die een mens terugwerpt op zichzelf. Dat geeft eenzaamheid in het samenzijn. Elke mededeling van zichzelf, hoe innig een mens zichzelf daarin geven wil, blijft slechts deel. Wie zijn medemens wil kennen stuit op diens, zowel als op de eigen begrenzing. Ons kennen is als kijken door een waterspiegel heen. Wij zien van allerlei onder het watervlak, maar steeds door de weerspiegeling van ons eigen beeld heen. Tot wij te dichtbij willen komen. Dan breekt de waterspiegel. Wat in de diepte is, blijft onbekend en raadselachtig.


Maar waarom brengt Paulus de onvolledigheid van ons kennen nu juist te pas bij zijn verrukt bezingen van de liefde?
Omdat het bij de liefde nu juist gaat, is het antwoord, óm het ontdekken van elkaar. Alleen door lief te hebben kan een mens zich met een ander verenigen en zo waarlijk leren kennen wie de ander is, alsook waarlijk gekend te worden. Niet ten volle, zegt Paulus. De tweezaamheid van mensen laat nu altijd toch nog éénzaamheid bestaan. Dat betekent dat ook dat de liefde de scheiding nóg niet kan oplossen. Maar 1 Cor. 13 eindigt met een juichkreet: het is voorbijgaand. Nú is het nog zo, maar straks zal ik kennen van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik nog onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen zoals ik zelf gekend ben. Dat is de toekomst. Eenmaal zal het Mensbeeld hersteld zijn, zal hij weten wie hij is, zal hij zichzelf zijn. Dan zal alle versluiering voorgoed weggenomen worden. Voorgoed: dan zal alles goed zijn, dan is de tijd van de voltooiing aangebroken, de voltooide tijd...
Wanneer?
Na de dood van de mens?
Wie dat denkt is ver verwijderd van wat Paulus voorschouwt.
Als het om de voltooide mens gaat, gaat het immers meer dan ooit om het Leven? Een dood mens is geen mens, ’is iets’, niet eens een verschijnsel, slechts een verdwijnsel. De voltooide mens, dus de ware mens, is bij uitstek levend. Een en al Leven! Een mens van wie de dood is afgevallen. Maar is dat denkbaar?
Wie zal daar weet van hebben? Hij die gelooft, zegt Paulus. Wie gelooft, hóópt -met de zekerheid van wat men nog niet kan zien- op de tijd der voltooiing. Dan zal alle leven ééuwig zijn: enkel puur leven. Geen afscheiding en verwijdering en dus ook geen vervreemding zullen er zijn, geen raadselachtigheid. Er zal licht zijn; geen dag-en-nacht, geen zon-en-maan, maar licht zonder duisternis, zonder schaduw. Alles zal dan helder en doorzichtig zijn. Ook de mens: helder als het helderste water. De mens die van Christus is en door Hem het volmaakte leven weer ontleent aan God. Het gaat niet om een abstractie, een bedenksel, een begrip, maar om leven; om één Persoon. De tijd der voltooiing is belichaamd in Hem die komt! “Dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben.” Het zal openbaar zijn van wie wij mogen zijn en tevens Wie wij mogen zien van aangezicht tot aangezicht. Hij die komt zal het ware, eigenlijke beeld openbaren, dat is wat Paulus gelooft. Hij zal het nu nog onvoorstelbare aanschouwen. Bij voorbaat is hij vervuld van blijdschap en verrukking.
Hij weet hoe en waar zijn zekerheid is. Want zijn lofzang is een liefdeslied en alleen liefde is helderziend. Voor het Evangelie, boodschap van het Rijk van God dat in aantocht is, is kennis liefde, en geen vrucht van intelligentie. Het is niet weet-hebben-van en er zelf buiten blijven, want dat is weten dat geen heil brengt en behoort tot het rijk van de dood. Elk woord dat van Gods Rijk getuigt betekent een beleving, een met huid en haar deel hebben aan het gekende. Een mens moet, dat is de wortel van het bestaan, eten en drinken. Dat wat hij moet weten, moet hij in zich belichamen, want wezenlijk leven is maaltijd houden.
Kennen is deelnemen, zich verenigen met. Zo zal, zegt de Bijbel, het eeuwige leven zijn: maaltijd met de Koning. Straks, zegt Paulus, zal die kennis volmaakt zijn. Hij ziet dit dus als een nabije toekomst en dat kan hij zo zien omdat voor hem de hemel nabij is en zijn Heer Jezus Christus nabij is. Zo is het voor iedereen wiens ogen daarvoor open gaan een zeer nabije toekomst, want Jezus zelf is de toekomst!


Het onkruid en het goede zaad. Beeld van God. God is liefde. Zoektocht naar de kennis van God? De liefde van Vader en Zoon.