MAART


Als een arend die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wieken uitspreidt, er een opneemt en draagt op zijn vlerken zo heeft hem de Here alleen geleid...

januari februari maart april mei juni juli augustus september oktober november december

TER OVERDENKING...._____________door P.A. Slagter__________

DE GENADE ZIJ MET U .

Met deze woorden (of woorden van gelijke strekking) eindigen de brieven van Paulus. Natuurlijk wisten Jakobus, Petrus, e.a. ook wel van de genade van God, maar zij gebruikten het niet als afsluiting van hun brieven, zoals Paulus dat doet. Het tekent de bijzondere relatie van de apostel Paulus met de genade van God, hetgeen volledig in overeenstemming is met zijn bediening.

Zo schrijft hij in Efeze 3:2 (SV): "Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan (beter: voor) u". De fase van het heilsplan van God, waarin wij nu leven is de "bedeling der genade". En die bedeling is aan Paulus gegeven om het aan ons door te geven c.q. te onderwijzen. In Kolossenzen 1:25 noemt Paulus zich een dienaar van de Gemeente "overeenkomstig de beheerstaak van God (SV.: bedeling), die mij met het oog op u gegeven is..."
Kort gezegd komt het hierop neer: Na de bedeling der Wet, die aan Mozes gegeven was (zie Joh.1:17) en voleindigd is in de komst van Christus, is nu de bedeling der genade aan de orde en die is aan Paulus gegeven. Dat betekent, dat alles wat belangrijk is in deze fase van Gods plan, met name aan Paulus is geopenbaard en Hij deelt het ons mee in zijn brieven. En in zijn bediening staat met grote letters het woord GENADE geschreven.
Kenmerkend voor deze bedeling is dat God slechts genade openbaart van de hemel. God (ver)oordeelt niet, Hij spreekt niet in gramschap, Hij openbaart Zijn toorn niet op de aarde... nee, alles wat van de hemel op aarde neerdaalt is genade, gehuld in de mantel der liefde!

Dat betekent: wie gelooft in de Heere Jezus Christus en Zijn volbrachte werk wordt door genade behouden. Hij/zij ontvangt alles wat God in Christus geschonken heeft: Verzoening met de Almachtige; reiniging van alle zonde door het kostbare bloed van het Lam; gerechtigheid, d.i.: God kent de gelovige niet meer als zondaar in Adam, maar als Zijn kind in Christus, een volkomen nieuwe positie voor God dus; heiliging: hoewel levend in deze wereld, niet meer van deze wereld, maar afgezonderd voor God; en tenslotte: verlossing, d.w.z. de lichamelijke verlossing in de toekomst.
Naarmate wij dit geloven en de Heere daarvoor danken, zal de genade in ons leven gaan heersen. Dan leren wij meer en meer te vertrouwen op God, onze hemelse Vader, Die ons in alle omstandigheden nabij is. Hij geeft genade om te leven... om te worstelen... om ziek te zijn... om lief te hebben... om te dienen... om te bidden... om te groeien... om te helpen... om te volharden... en noem maar op. Wij hebben, zo lezen wij in Romeinen 5, de toegang verkregen "tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in de hoop op de heerlijkheid van God."

Laten wij daarom in het spoor van het geloof wandelen en blijven bij de genade van God, die ons geschonken is, want juist omdat het genade is, kunnen wij er zeker van zijn, dat Hij het goede werk, dat Hij in ons begonnen is te doen zal voortzetten ten einde toe, tot op de dag van Christus Jezus, onze Heere (Fil.1:6).